You're meeting with the wrong people






Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek
![]() Artikel 1
- de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter; - twee leden die journalist zijn; - twee leden die geen journalist zijn, met dien verstande dat bij voorkeur van deze leden één afkomstig is uit de categorie bedoeld in artikel 5 lid 5 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek en één uit de categorie bedoeld in artikel 5 lid 6 van die Statuten.
Indien de ontstentenis de voorzitter van de Kamer betreft, wordt uit de aanwezige leden een fungerend voorzitter aangewezen, die geen jurist behoeft te zijn.
Artikel 2 1. Een zaak wordt bij de Raad aanhangig gemaakt door indiening van een klaagschrift bij de secretaris door een ter beoordeling van de Raad rechtstreeks belanghebbende. Als rechtstreeks belanghebbende wordt tevens beschouwd een organisatie die door doelstelling en feitelijk handelen opkomt voor het in geding zijnde belang. 2. Het klaagschrift moet zijn gedagtekend en ondertekend en bevatten: a) de naam en het adres van de klager; b) de feiten en gronden waarop de klacht berust; c) een aanduiding van de journalist of journalisten op wie de klacht betrekking heeft dan wel van het medium waarop de klacht betrekking heeft. In het laatste geval wordt de klacht opgevat als te zijn gericht tegen de hoofdredacteur van dat medium; d) een aanduiding van het rechtstreeks belang dat klager heeft bij een oordeel van de Raad. 3. Een klager kan bij het indienen van het klaagschrift verzoeken om versnelde behandeling van de klacht. De voorzitter wijst het verzoek toe, indien naar zijn oordeel bijzondere belangen zodanige behandeling vereisen. 4. In de verdere artikelen van dit reglement wordt de indiener van het klaagschrift aangeduid als de klager; de journalist of de journalisten op wie de klacht betrekking heeft, als de verweerder. Artikel 2a 1. Een klaagschrift moet worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden. 2. Een klaagschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn door het secretariaat van de Raad voor de Journalistiek is ontvangen. 3. Indien een klaagschrift niet tijdig is ingediend, is de klager in zijn klacht niet-ontvankelijk. 4. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend klaagschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de klager in verzuim is geweest. Artikel 3 1. De secretaris tekent de dag van ontvangst op het origineel van het klaagschrift aan. 2. De secretaris bevestigt klager de ontvangst van het klaagschrift onder vermelding van de verdere procedure. 3. De secretaris beoordeelt of het klaagschrift voldoet aan het bepaalde in artikel 2 lid 2 en stelt klager, indien nodig, in de gelegenheid eventuele onvolkomenheden binnen een bepaalde termijn te herstellen. 4. Niet-ondertekende en onvolledige niet-aangevulde klaagschriften kunnen door de Raad als niet voor behandeling vatbaar zijnde terzijde worden gelegd. De klager blijft in dat geval bevoegd op grond van dezelfde feiten een nieuw klaagschrift in te dienen. Artikel 4 1. Na indiening van een klaagschrift wijst de secretaris klager op de mogelijkheid zijn bezwaren eerst rechtstreeks kenbaar te maken aan verweerder alvorens de klacht ter beoordeling aan de Raad wordt voorgelegd; deze mededeling kan achterwege blijven indien uit het klaagschrift blijkt dat klager zijn klacht reeds kenbaar heeft gemaakt aan verweerder. Voorts wijst de secretaris klager en verweerder op de mogelijkheid van bemiddeling in plaats van behandeling van de klacht, tenzij het klaagschrift aanleiding geeft voor het oordeel dat de zaak zich niet voor bemiddeling leent. 2. Indien door klager en verweerder bemiddeling wordt gewenst, wordt de klacht ter bemiddeling in handen gesteld van de voorzitter en secretaris van de Raad. Deze kunnen naar eigen inzicht tussen klager en verweerder bemiddelen. 3. Een poging tot bemiddeling duurt maximaal acht weken. 4. Indien de bemiddeling binnen deze periode niet slaagt, wordt de klacht conform de normale procedure in behandeling genomen. De ten aanzien van de normale procedure geldende termijnen beginnen eerst dan te lopen. 5. Indien de bemiddeling is geslaagd, wordt de klacht als ingetrokken beschouwd. 6. Voorzitter en secretaris leggen hun bevindingen van de bemiddelingspoging vast ten behoeve van klager, verweerder en Raad. Artikel 4a 1. Alvorens een klacht in behandeling wordt genomen, vormen voorzitter en secretaris zich een oordeel over de bevoegdheid van de Raad, de ontvankelijkheid van de klager en de gegrondheid van de klacht. 2. Indien voorzitter en secretaris concluderen tot: - evidente onbevoegdheid van de Raad, - evidente niet-ontvankelijkheid van de klager, - en/of evidente ongegrondheid van de klacht, wordt de klacht afgedaan op het oordeel van voorzitter en secretaris en wordt de klacht niet in behandeling genomen door de Raad. 3. De beslissing van voorzitter en secretaris wordt uiterlijk vier weken na indiening van de klacht schriftelijk ter kennis gebracht van de klager en de verweerder. 4. Gedurende veertien dagen na dagtekening van de kennisgeving van de beslissing van voorzitter en secretaris kan klager bij de Raad tegen deze beslissing schriftelijk en gemotiveerd beroep aantekenen. 5. Het beroep van klager wordt beoordeeld door een Kamer als bedoeld in artikel 1 op basis van de schriftelijke stukken. 6. Indien de Raad het beroep van klager tegen de beslissing van voorzitter en secretaris gegrond verklaart, wordt de klacht alsnog conform de normale procedure in behandeling genomen. De ten aanzien van de normale procedure geldende termijnen beginnen eerst dan te lopen. 7. Indien de Raad het beroep van klager tegen de beslissing van voorzitter en secretaris ongegrond verklaart, blijft de beslissing van voorzitter en secretaris van kracht en wordt de klacht niet door de Raad in behandeling genomen. 8. De beslissing van de Raad wordt uiterlijk vier weken na de behandeling van het beroep schriftelijk ter kennis gebracht van de klager en de verweerder. Artikel 5 1. Wanneer een klaagschrift in behandeling wordt genomen, zendt de secretaris een kopie naar verweerder met het verzoek binnen drie weken een schriftelijke reactie, verder verweerschrift te noemen, in te zenden. Heeft de voorzitter het verzoek om een versnelde behandeling als bedoeld in artikel 2 lid 3 toegewezen, dan wordt de periode van drie weken verkort tot tien dagen. Verlenging van deze termijn is niet mogelijk. In geval van een versnelde behandeling zijn de volgende leden van dit artikel niet van toepassing; toelichting geschiedt dan alleen ter zitting. 2. In het geval dat de zaak uitgebreider voorbereiding behoeft, kan aan klager, al dan niet aan de hand van concrete vragen, een schriftelijke reactie worden gevraagd op het verweerschrift van verweerder (repliek) en aan verweerder worden verzocht op zijn beurt weer schriftelijk te reageren (dupliek). 3. De voorzitter is bevoegd ter voorbereiding van een zitting klager en/of verweerder uit te nodigen voor een voorlopig onderzoek. In dat geval maakt de secretaris een schriftelijk verslag van het gesprek met klager en/of verweerder. Artikel 6 1. De voorzitter of secretaris bepaalt de samenstelling van de Kamer als bedoeld in artikel 1 lid 1 en stelt dag en uur voor de zitting vast. De leden worden voor de zitting opgeroepen onder toezending van het volledige dossier dat op de zaak betrekking heeft. 2. Als het vanwege de aard van de zaak niet nodig wordt geacht klager en verweerder voor een mondelinge toelichting tegenover de Raad uit te nodigen, kan de Raad, tenzij bij de klager of bij de verweerder daartegen overwegende bezwaren bestaan, zijn oordeel vormen op basis van de schriftelijke stukken. De Raad kan echter besluiten dat het alvorens tot een beslissing te komen gewenst is alsnog klager en verweerder uit te nodigen. Bij een versnelde behandeling, zoals bedoeld in artikel 2 lid 3, worden klager en verweerder altijd uitgenodigd voor de behandeling van de zaak ter zitting. 3. Klager en verweerder worden door de secretaris per brief, dan wel indien daartoe aanleiding bestaat per fax of e-mailbericht, uitgenodigd voor de behandeling van de zaak ter zitting teneinde hun standpunten toe te lichten en eventuele vragen van de Raad te beantwoorden, tenzij de Raad ingevolge lid 2 zijn oordeel vormt op basis van de schriftelijke stukken. Indien daartoe naar het oordeel van de voorzitter aanleiding bestaat, kan aan partijen worden verzocht zich te legitimeren, hetzij ter zitting dan wel door toezending aan het secretariaat van een kopie van een legitimatiebewijs. 4. De secretaris draagt er tevens zorg voor dat klager en verweerder in het bezit zijn van schriftelijk gewisselde stukken, van verslagen als bedoeld in artikel 5 lid 3 en van andere bescheiden, voor zover de hier genoemde stukken inhoudelijk op de klacht betrekking hebben en ter kennis zijn gebracht hetzij door een der partijen aan de Raad, dan wel door de Raad aan een der partijen. 5. Klager en verweerder zijn bevoegd om zich bij de Raad te laten bijstaan, bijvoorbeeld door een raadsman, mits zij dit de secretaris van de Raad tijdig hebben laten weten. 6. De secretaris deelt klager en verweerder de samenstelling van de Kamer mee en verzoekt hen hem schriftelijk te laten weten of zij aan de uitnodiging gehoor zullen geven en of zij zich laten bijstaan dan wel zich, bijvoorbeeld door een getuige of deskundige, willen laten vergezellen, een en ander met vermelding van namen en adressen van de desbetreffende personen. 7. De voorzitter is bevoegd, al dan niet op grond van een daartoe strekkend verzoek van klager of verweerder, getuigen en deskundigen uit te nodigen ter zitting te verschijnen teneinde te worden gehoord. De voorzitter willigt een dergelijk verzoek van klager of verweerder in, wanneer het hem voor een goede behandeling van de zaak nuttig voorkomt. Indien hij meent dat dit laatste niet het geval is, legt hij het verzoek aan de Raad ter beslissing voor. 8. Dag en uur van de zitting worden bepaald op een termijn van ten minste drie weken nadat de uitnodiging wordt verzonden, tenzij klager en verweerder instemmen met een kortere termijn. Bij een versnelde behandeling wordt de zaak zo spoedig mogelijk ter zitting behandeld. Dag en uur van de mondelinge behandeling worden in dat geval aanstonds aan klager en verweerder kenbaar gemaakt per brief, fax of e-mailbericht. 9. De behandeling van een zaak op een zitting wordt vooraf publiekelijk aangekondigd. De aankondiging bevat een korte omschrijving van de aard van de zaak. Van de publieke aankondiging kan worden afgezien als reeds tevoren vaststaat dat de zitting op grond van artikel 7 lid 3 niet openbaar zal zijn. Artikel 7 1. De voorzitter van de Kamer leidt de zitting. 2. Hij beslist over de ter zitting voorkomende geschillen betreffende de wijze van behandeling. 3. Dat deel van de zitting waarbij klager en verweerder aanwezig zijn, is openbaar tenzij de voorzitter in het belang van de zaak van klager of van verweerder anders beslist. 4. Klager en verweerder zijn bevoegd elk lid van de Kamer die de zaak behandelt, te wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van de Raad schade kan lijden. Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden en uiterlijk op de zitting. Het verzoek geschiedt schriftelijk en gemotiveerd. Onmiddellijk bij aanvang van de zitting kan het ook mondeling geschieden. 5. Over de wraking wordt zo spoedig mogelijk beslist door de niet-gewraakte leden. 6. Bij staking van stemmen wordt de wraking geacht te zijn toegewezen. 7. Indien zich feiten of omstandigheden voordoen als bedoeld in lid 4 van dit artikel, op grond waarvan kan worden getwijfeld aan de onpartijdigheid van een lid van de Raad, dient dit lid zich te verschonen. 8. Na toewijzing van de wraking van c.q. na de verschoning door een van de leden van de Kamer, wordt de behandeling van de zaak voortgezet door de overige leden van de Kamer, met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 1 lid 4. Artikel 8 1. De leden en de secretaris van de Raad zijn, behoudens het bepaalde in artikel 6 lid 9 en artikel 10, tot geheimhouding met betrekking tot aanhangige of behandelde zaken gehouden. 2. Zij mogen zich over klaagschriften die bij de Raad aanhangig zijn, dan wel naar zij weten of vermoeden aanhangig zullen worden, niet inlaten in enig bijzonder onderhoud of gesprek met klager of verweerder of hun raadslieden, noch van hen enig geschrift aannemen anders dan ten behoeve van de Raad. Artikel 9 1. Over het al dan niet uitspreken van een oordeel alsmede over de inhoud van een uit te spreken oordeel beslist de desbetreffende Kamer van de Raad bij meerderheid van stemmen na besloten beraadslaging. De secretaris heeft een adviserende stem. 2. Indien en voor zover de Raad oordeelt dat een klaagschrift is ingediend door een niet-rechtstreeks belanghebbende, dan spreekt de Raad ter zake de niet-ontvankelijkheid van klager uit. 3. Indien en voor zover de Raad oordeelt dat de klacht geen betrekking heeft op een journalistieke gedraging als bedoeld in artikel 4 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek, dan verklaart de Raad zich onbevoegd om over de klacht c.q. het desbetreffende klachtonderdeel te oordelen. 4. Indien en voor zover de Raad bij zijn beraadslaging niet tot het inzicht kan komen dat de behandeling van het klaagschrift met de vereiste grondigheid kan geschieden en dat de Raad daarbij aan de verdediging van de belangen van de verweerder voldoende recht kan doen wedervaren, zal de Raad zich om die reden van het geven van een oordeel ter zake onthouden. 5. Tenzij de Raad bij met redenen omklede beslissing een nader onderzoek nodig acht, geeft hij binnen acht weken nadat de klacht ter zitting is behandeld zijn oordeel. Indien de bijzondere aard van het onderzoek hiertoe aanleiding geeft, kan de Raad deze termijn met drie weken verlengen. Bij een versnelde behandeling worden de termijnen verkort tot vier respectievelijk twee weken. 6. Een beslissing van de Raad dient te bevatten: a) de naam en woonplaats van de klager; b) de naam en het publiciteitsmedium van verweerder; c) een omschrijving van de feiten en omstandigheden die tot het klaagschrift aanleiding hebben gegeven en naar aanleiding daarvan zijn onderzocht; d) de overwegingen van de Raad; e) het eindoordeel van de Raad, dan wel de redenen, als bedoeld in de leden 2, 3 en/of 4 van dit artikel die ertoe hebben geleid dat de Raad geen inhoudelijk oordeel over de klacht uitspreekt; f) de namen van de leden van de Kamer die aan de totstandkoming van de beslissing hebben meegewerkt, alsmede van de secretaris; g) de ondertekening door de voorzitter van de Kamer en de secretaris; h) indien de klacht (gedeeltelijk) gegrond is verklaard een verzoek aan verweerder de beslissing van de Raad integraal of in samenvatting te publiceren c.q. uit te zenden, bij voorkeur in het publiciteitsmedium naar aanleiding waarvan het klaagschrift werd ingediend dan wel in een ander daartoe geëigend medium. Een dergelijk verzoek kan achterwege blijven als klager heeft laten weten dat hij geen prijs stelt op publicatie van de uitspraak door verweerder. Artikel 10 1. Van de door de Raad genomen beslissing zendt de secretaris afschriften aan klager en verweerder. 2. Indien naar het inzicht van de Raad belangrijke redenen hiertoe aanwezig zijn, zal de Raad al dan niet op verzoek van klager, besluiten de door hem genomen beslissing geheel of ten dele niet voor publicatie vrij te geven. 3. Klager wordt geacht zijn toestemming te hebben verleend voor de publicatie van (een samenvatting van) de beslissing door de Raad. Indien klager bezwaar heeft tegen de vermelding van zijn naam in die publicaties, dan kan hij verzoeken om anonimisering van de uitspraak. 4. Behoudens het bepaalde in lid 2 en lid 3 van dit artikel neemt de secretaris de geëigende maatregelen opdat aan de door de Raad genomen beslissing een zo ruim mogelijke bekendheid wordt gegeven. Artikel 10a
Herziening is slechts mogelijk indien degene die herziening verzoekt (hierna: de verzoeker) aannemelijk maakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Het verzoek tot herziening van een beslissing wordt aanhangig gemaakt door indiening van een verzoekschrift bij de secretaris binnen vier weken nadat de beslissing aan partijen is toegezonden. Ten aanzien van deze termijn zijn de leden 2-4 van artikel 2a van overeenkomstige toepassing.
a) de naam en het adres van de verzoeker; b) de aanduiding van de beslissing, met volgnummer, waarop het herzieningsverzoek betrekking heeft; c) de aanduiding van de feiten die volgens verzoeker ten onrechte als vaststaand of aannemelijk zijn geoordeeld, alsmede de argumenten en/of (meegezonden) bewijsstukken waaruit die onjuistheid volgens verzoeker blijkt.
Artikel 11 De algemene bevoegdheden van de voorzitter – niet zijnde de bevoegdheden als voorzitter van een Kamer als bedoeld in artikel 1 lid 1 – worden bij diens ontstentenis door een der plaatsvervangend voorzitters uitgeoefend. Bij ontstentenis ook van deze laatsten kan de Raad uit zijn midden voor de duur van de ontstentenis een fungerend voorzitter aanwijzen. Artikel 12 1. De Raad kan ook uit eigen hoofde, derhalve anders dan naar aanleiding van een klacht, uitspraak doen over zaken betreffende journalistieke gedragingen die van algemene strekking en van principieel belang zijn. 2. Een uitspraak als bedoeld in het vorige lid wordt gedaan door de voltallige Raad hetzij op voorstel van een of meer leden van de Raad hetzij op verzoek van een van de aan de Stichting Raad voor de Journalistiek deelnemende organisaties. 3. De voorbereiding van een dergelijke uitspraak geschiedt op een wijze als door de voorzitter bepaald. 4. Het bepaalde in artikel 10 leden 2 en 4 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 13 1. De Raad komt ten minste eenmaal per jaar bijeen in een vergadering waartoe alle leden door de secretaris worden opgeroepen. 2. De Raad bespreekt in deze vergadering de algemene gang van zaken en stelt een jaarverslag vast dat hij aan het bestuur van de Stichting toezendt. Artikel 14 1. Dit reglement kan worden gewijzigd door een besluit van het bestuur van de Stichting. 2. Het bestuur neemt een dergelijk besluit niet dan na de Raad in plenaire vergadering alsmede de besturen van de organisaties, genoemd in artikel 10 lid 2 van de statuten, in de gelegenheid te hebben gesteld een advies over de voorgenomen wijziging uit te brengen. 3. De Raad is bevoegd eigener beweging voorstellen tot wijziging bij het bestuur van de Stichting in te dienen. Goedgekeurd door het bestuur van de Stichting Raad voor de Journalistiek d.d. 1 maart 2010. |
Copyright 2009 Dear Bono. All rights reserved.